Beestige versjes en liedjes
Lied
Spinnen
Daar komen 2 spinnetjes aan,
kriebel
krabbel, kriebel krabbel, kriebel krabbel.
De ene is (rood) en de ander is
(blauw)
kriebel
krabbel, kriebel krabbel, kriebel krabbel.
Pft, weg is ..., pft, weg is ...
Daar komen ze, daar komen ze,
alle twee weer aan!
Kriebel
krabbel, kriebel krabbel, kriebel krabbel.
Dit is een vingerspelletje waarbij je handen de twee spinnen zijn.
Je kan variëren in tekst door kleuren of de namen van de kinderen te gebruiken en na het liedje te vragen over wie of welke kleuren je gezongen hebt en zo wordt het een geheugen/concentratie/luisteroefening.
Als je de namen van de kinderen gebruikt zijn ze meer betrokken en hun luisterbereidheid stijgt, want wie wil er nu niet aan de beurt komen?
Lied / versje
Diep in de zee
Ik ben een mooie
vis, ik woon in de oceaan.
Zwemmen kan ik heel
erg goed, hier kom ik al aan.
Ik ben een octopus,
ik woon in de oceaan.
Ik heb 8 lange armen,
hier kom ik al aan.
Ik ben een zotte
kwal, ik woon in de oceaan.
Pas op want ik kan steken,
hier kom ik al aan.
Ik ben een gekke
krab, ik woon in de oceaan.
Ik zit onder water,
hier kom ik al aan.
Ik ben een boze
haai, ik woon in de oceaan.
Kijk uit ik ga je
vangen, hier kom ik al aan!!!
Dit kan gezongen worden tijdens een tikspelletje waarbij ze de dieren uitbeelden als erover gezongen wordt.
Als je bij de haai gekomen bent, zet je één kind een haaienmuts of kroon op en die moet dan de andere kinderen vangen/tikken.
Het spel kan verschillende keren na elkaar gespeeld worden.
Telkens wordt het lied gezongen en een andere haai gekozen.
Deze activiteit heeft een actief spelelement in zich,
de kinderen beelden uit wat ze horen
en ze zijn in beweging rekening houdend met de spelregels.
Ondertussen wordt al spelende het lied herhaald
zodat ze het kunnen meezingen
en het spel kunnen spelen in groepjes
en / of op de speelplaats.
Versje
Diep in de zee
1 klein visje gaat zwemmen in de zee.
2 boze haaien zwemmen met hem mee.
3 rode krabben zitten onder water.
en de grote octopus die komt een beetje later.
4 witte walvissen, samen op een rij,
5 dolfijnen, vrolijk en blij.
6 pinguïns staan te springen.
En de zotte zeester begint een lied te zingen.
Spel:
- leg in de zaal de prenten van de dieren uit het versje
- zorg voor 22 kinderen in de zaal,
de anderen zijn toeschouwers
(nadien kan je wisselen)
- laat de 22 kinderen lopen, huppelen, stappen, ... door de zaal
- op een afgesroken (auditief) signaal gaan ze bij een prent staan.
- er moet rekening mee gehouden worden dat de aantallen kloppen:
1 kind bij de prent van "1 visje", 2 kinderen bij de prent van "2 haaien", ...
- als de aantallen kloppen kan het versje worden opgezegd en mogen de kinderen het uitbeelden.
Versje
Eendjes
5 kleine eendjes
zitten in het gras,
5 kleine eendjes
zwemmen in een
plas,
5 kleine eendjes
kwaken super blij,
5
kleine eendjes spelen
in de wei.
Vijf kinderen beelden uit wat er gezegd wordt.
De andere kinderen kijken naar het dramatisch spel.
Na het versje worden er andere "eendjes" gekozen en wordt het versje herhaald.
Op deze manier beleven de kinderen het versje zowel actief als passief, zowel als deelnemer en als toeschouwer.
Tekstvariatie:
- spelen in de wei kan ook springen, slapen, huppelen, dansen, ... worden
- in plaats van eendjes, kan je het ook met kikkers opzeggen
Lied
Slak
Hier
komt de slak, de trage slak.
Pas
maar op, pas op.
Pas
maar op pas op!
Hier
komt de slak, de trage slak.
Pas
maar op of je trapt er op!
Het kernwoord in dit liedje is "traag".
Dit zou van pas kunnen komen als je rond tegenstellingen werkt:
vlug / langzaam
snel / traag
Met dit liedje probeer je de kinderen ook respect voor de natuur bij te brengen.
Lied / versje
Kikker
Dag
kleine kikker bij ons in de sloot.
Eens
was je klein, maar nu ben je groot.
Je werd als
een vis uit een eitje geboren.
En toen
kreeg je pootjes, van achter en van voren.
Je staartje
verdween, het is werkelijk waar.
En toen kon
je springen want toen was je klaar!
Dag
kleine kikker bij ons in de sloot.
Eens
was je klein, maar nu ben je groot.
Dit kan als versje gebruikt worden, maar het kan ook gezongen worden.
Wat hierbij op aansluit is het chronologisch rangschikken van prenten over de evolutie van kikkervisje naar kikker.
Dit kan perfect uitgebeeld worden door de kinderen.
Plezierig is als je de klas in de helft doet:
de ene helft beeldt uit, de andere helft is toeschouwer.
En daarna wisselen uiteraard.
Versje
Octopus
Een
octopus woont diep in de zee,
hij telt tot acht en ik tel mee.
Hij
zwemt heen en weer terug,
soms
heel traag, maar soms ook vlug.
Hij
heeft 8 lange armen,
geloof
me het is waar.
Kijk
maar achter die zware steen,
ik
ben er zeker van: hij is daar.
Verstoppertje
wil hij spelen,
op
de bodem van de zee.
Gelukkig
spelen alle vissen
heel
graag met hem mee.
Tellen tot 8 staat hier centraal:
- Laat de kinderen tot 8 tellen: samen, apart, in groepjes.
- Schrijf het cijfer 8 in de lucht (linkerhand, rechterhand).
- Tel stil, boos, blij, verdrietig, luid, zacht, vlug, langzaam, ...
- Spel: verstop een octopus (prent, foto, knuffel, ...) in de klas.
Terwijl je het versje opzegt, gaat 1 kind op zoek naar de octopus.
Als het versje gedaan is en het kind heeft de octopus niet gevonden, dan stuur je een helper zodat ze samen op zoek kunnen gaan.
Laat de kinderen verwoorden WAAR ze de octopus gevonden hebben (welke hoek, op, onder, tussen, in, naast, ...)
Versje
Kip - haan - ei - kuiken
De kip die legt een ei,
de haan die staat erbij.
Het kuikentje kruipt uit het ei
en moeder kip die kakelt blij.
Van kot kot kedei!
VAN KOT KOT KEDEI!
Kukeleku zo kraait de haan,
wat heb jij dat goed gedaan!
Kip en haan zijn nu heel fier,
nu zijn ze plots met drie!
NU ZIJN ZE PLOTS MET DRIE!
Dit versje kan uitgebeeld worden aan de hand van materiaal, knuffels, handpoppen, ...
Er kunnen prenten gebruikt worden, de kleuters kunnen verwoorden wat er op de prenten staat.
Je kan ze in de juiste volgorde laten leggen
(chronologisch rangschikken)
Streefwoorden:
de kip, de haan, het kuiken, het ei,
kakelen, kraaien, fier,
Versje
Vleermuis
Met
mijn kop ondersteboven,
ja,
zo slaap ik, je moet me geloven.
Ik
heb twee vleugels, daarmee fladder ik graag.
Ik
vlieg hoog en soms ook laag.
Slapen
doe ik als de zon schijnt,
ik
word wakker als ze weer verdwijnt.
Van
mij hoef je niet bang te zijn.
Ik
vang kleine beestjes, dat vind ik fijn.
Streefwoorden:
ondersteboven, fladderen, vliegen, vangen, slapen,
de vleugel, hoog, laag, bang
Het versje is ideaal om uit te beelden.